Inhoud van de voorschriften       1

 

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen   blz.  3

Artikel 1.  Begripsbepalingen  3

Artikel 2.  Wijze van meten  7

Hoofdstuk 2 Bestemmingsbepalingen   9

Artikel 3.  Bedrijf (B) 9

Artikel 4.  Gemengd-2 (GD-2) 11

Artikel 5.  Groen (G) 13

Artikel 6.  Kantoor (K) 15

Artikel 7.  Maatschappelijk (M) 17

Artikel 8.  Recreatie-Dagrecreatie (R-DR) 19

Artikel 9.  Tuin (T) 20

Artikel 10.  Verkeer (V) 22

Artikel 11.  Verkeer-Verblijfsgebied (V-VB) 24

Artikel 12.  Water (WA) 26

Artikel 13.  Wonen (W) 27

Artikel 14.  Leiding (dubbelbestemming) 30

Artikel 15.  Waterstaat (dubbelbestemming) 32

Hoofdstuk 3 Algemene bepalingen   33

Artikel 16.  Anti-dubbeltelbepaling  33

Artikel 17.  Bestaande afstanden en andere maten  33

Artikel 18.  Algemene vrijstellingsbevoegdheid  33

Artikel 19.  Algemene wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van overschrijding bestemmingsgrenzen  34

Artikel 20.  Algemeen procedurevoorschrift 34

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen   35

Artikel 21.  Overgangsbepalingen  35

Artikel 22.  Titel 35

 

 

 

Bijlagen:

1.    Staat van Bedrijfsactiviteiten.

2.    Staat van Horeca-activiteiten.

3.    Staat van na vrijstelling toelaatbare activiteiten in het kader van een aan-huis-verbonden be­roep.

 

 


 

 


Hoofdstuk 1                        Inleidende bepalingen

3

 

Artikel 1.          Begripsbepalingen

In deze voorschriften wordt verstaan onder:

 

1.       Het plan:

Het Bestemmingsplan Batau-Noord 2008 van de gemeente Nieuwegein.

 

2.       De plankaart:

De plankaart van het Bestemmingsplan Batau-Noord 2008 bestaande uit de kaartbladen 179.11903.00-1, 179.11903.00-2, 179.11903.00-3 en 179.11903.00-4.

 

3.       Aanbouw:

De toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een hoofdgebouw.

 

4.       Aan-huis-verbonden beroep:

Het beroepsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvig­heid op kleine schaal in een woning, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke en visu­ele uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse.

 

5.          Ambachtelijk bedrijf:

Een bedrijf, dat is gericht op het overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen.

 

6.           Bebouwing:

Één of meerdere gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

7.          Bebouwingspercentage:

Een in de voorschriften aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak aan­geeft dat maximaal met gebouwen en/of overkappingen mag worden bebouwd.

 

8.          Bedrijfswoning:

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bedoeld voor (het huishou­den van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.

 

9.          Bestaand:

a.     Bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft gekregen, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aan­gevraagde vergunning.

b.     Bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft ver­kregen.

 

10.           Bestemmingsgrens:

Een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bestemmingsvlak.

 

11.          Bestemmingsvlak:

Een op de plankaart aangegeven vlak met een zelfde bestemming.

 

12.          Bijgebouw:

Een niet voor bewoning bestemd gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en dat qua afmetingen ondergeschikt is aan en vrijstaat van dat (hoofd)gebouw.

 


13.     Bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het ver­groten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wo­ningwet.

 

13.          Bouwgrens:

Een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak.

 

14.          Bouwlaag:

Een gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke bouwhoogte lig­gende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van onderbouw en zolder.

 

15.          Bouwperceel:

Een aaneengesloten stuk grond, waar krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar be­horende bebouwing is toegestaan.

 

16.          Bouwperceelgrens:

Een grens van een bouwperceel.

 

17.          Bouwspeelplaats:

Een speelplaats waar kinderen onder begeleiding zelf tijdelijk hutten en kampen kunnen bouwen.

 

18.     Bouwvlak:

Een op de plankaart door bouwgrenzen omsloten vlak, waarmee de gronden zijn aange­duid waarop gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

 

19.          Bouwwerk:

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

 

20.          Brutovloeroppervlak:

Tot het brutovloeroppervlak behoort het totale vloeroppervlak binnen een gebouw tus­sen de buitenzijde van de gevels minus het oppervlak voor vides en technische ruimten.

 

21.     Carport:

Een overdekte stallinggelegenheid voor auto's, met maximaal twee wanden.

 

22.          Detailhandel:

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen, niet zijnde motorbrandstoffen, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefe­ning van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

 

23.          Dienstverlening:

Het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden.

 

24.     Gebouw:

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

 

25.          Geluidszoneringsplichtige inrichting:

Een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld.

 

26.          Hoofdgebouw:

Een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouw­perceel kan worden aangemerkt.

 


27.          Horecabedrijf:

Onder horecabedrijf wordt verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek of daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe con­sumptie worden bereid of verstrekt.

 

28.     Kantoor:

Een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werk­zaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheids­in­stellin­gen en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen.

 

29.          Maatschappelijke doeleinden:

Het openbaar bestuur, medische, sociale, culturele, educatieve, levensbeschouwelijke en daarmee gelijk te stellen voorzieningen.

 

30.          Nutsvoorzieningen:

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasredu­ceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voor­zie­ningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, telefooncellen en appara­tuur voor telecommunicatie.

 

31.          Overkapping:

          Een bouwwerk, geen gebouw zijnde en voorzien van een gesloten dak.

 

32.     Peil:

a.   voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg       grenst:

               -           de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b.   in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld;

c.   indien in of op het water wordt gebouwd:

               -           het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil).

 

33.          Prostitutie:

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen een en ander tegen vergoeding.

 

34.          Risicovolle inrichtingen:

Inrichtingen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

 

35.          Seksinrichting:

De voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht.

 

36.     Uitbouw:

De toevoeging aan een hoofdgebouw voor de vergroting van een bestaande ruimte.

 

37.          Verkoopvloeroppervlakte

De voor publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel.

 

38.     Wet geluidhinder

Wet van 16 februari 1979, houdende regels inzake het voorkomen of beperken van ge­luidhinder.

 

39.     Woning:

Een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huis-
houden.

 


40.           Woonvloeroppervlak:

De totale oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bebouwing, boven en on­der peil, ten dienst van de toegestane functie.

 

41.          Woonwagen:

Een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats, als bedoeld in artikel 1 lid h Woningwet, en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.

 

42.          Garagebox:

          Een niet voor bewoning of andere doeleinden bestemd gebouw, dat door zijn plaatsing,           indeling en inrichting uitsluitend geschikt is voor stalling van voertuigen.


Artikel 2.          Wijze van meten

Bij toepassing van de voorschriften wordt als volgt gemeten:

 

a.              De goothoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

 

b.              De inhoud van een bouwwerk:

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

 

c.              De bouwhoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen ge­bouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, an­tennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

 

d.              De oppervlakte van een bouwwerk:

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neer­waarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

 

 

 

 

 


 

 


Hoofdstuk 2                        Bestemmingsbepalingen

9

 

Artikel 3.          Bedrijf (B)

3.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Bedrijf (B) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.              Ter plaatse van de aanduiding "ten hoogste categorie 2" bedrijven welke voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de van deze voorschriften deel uitmakende Staat van Bedrijfs­activiteiten;
b.              Ter plaatse van de aanduiding "verkooppunt motorbrandstoffen" tevens voor een ver­kooppunt van motorbrandstoffen, exclusief lpg, met bijbehorende detailhandel met een bedrijfsvloeroppervlak van maximaal 90 m²;

Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten:

c.              Gebouwen;
d.              Bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
e.              Bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, parkeer- en groenvoorzieningen.

 

3.2. Bouwvoorschriften

3.2.1         Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

a.              Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden ge­bouwd;

b.              De goot- en/of bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven;

c.              De bouwhoogte van een overkapping mag maximaal 4 m bedragen;

d.              Het totale oppervlak van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan het op de plankaart aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak; indien geen bebouwingsper­centage is aangegeven, geldt een bebouwingsper­centage van 100% van het bouwvlak;

e.              In afwijking van het bepaalde onder a is ter plaatse van de aanduiding "verkoop­punt motorbrandstoffen" een overkapping toegestaan onder de volgende voor­waarden:

-    de oppervlakte mag maximaal 120 m² bedragen;

-    de bouwhoogte mag maximaal 5 m bedragen.

 

3.2.2         Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gel­den de volgende bepalingen:

a.              De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 m mag bedragen;

b.              De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2,5 m bedragen.

 

3.3. Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

a.              Een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
b.              Een goede woonsituatie;
c.              De verkeersveiligheid;
d.              De sociale veiligheid;
e.              De milieusituatie;
f.                De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

3.4. Specifieke gebruiksvoorschriften

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende voorschriften:

3.4.1         Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

3.4.2         Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 3.4.1 wordt in ieder geval gerekend:

a.              Het gebruik van gebouwen voor bewoning;

b.              Het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;

c.              De opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk;

d.              Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van geluidszoneringsplich­tige inrichtingen en risicovolle inrichtin­gen.

e.              Opslag van goederen buiten het bouwvlak;

f.                Opslag van goederen binnen het bouwvlak, indien de stapelhoogte van goederen meer dan 4 m bedraagt.

 

3.5. Vrijstelling van de gebruiksvoorschriften

3.5.1         Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van de milieusituatie, vrijstel­ling verlenen van het bepaalde in lid 3.1 onder a en toestaan dat tevens bedrijven wor­den ge­vestigd die zijn genoemd in de van deze voorschriften deel uitmakende Staat van Be­drijfsactiviteiten in categorie 3A van de bij deze voorschriften deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten en naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in de van deze voorschriften deel uitmakende Staat van Be­drijfsactiviteiten onder de in lid 3.1 onder a ge­noemde categorie.

 

3.5.2         Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van de milieusituatie, vrijstel­ling verlenen van het bepaalde in lid 3.1 onder a en toestaan dat tevens be­drijven wor­den ge­vestigd die niet zijn genoemd in de van deze voorschriften deel uitmakende Staat van Bedrijfsactivi­teiten, voor zover de betrokken bedrijven naar aard en invloed op de om­ge­ving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn ge­noemd in de van deze voor­schriften deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën zoals in lid 3.1 onder a genoemd.

 

3.5.3         Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 3.4.1, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige ge­bruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

3.6. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 3.4.1 is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.

 


Artikel 4.          Gemengd-2 (GD-2)

4.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Gemengd-2 (GD-2) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.              Op de begane grond en onder het peil:

1.   Detailhandel;

2.   Dienstverlening;

3.   Horeca in de categorieën 1 en 2 van de van deze voorschriften deel uitmakende Staat van Horeca-activiteiten;

4.   Ambachtelijke bedrijven;

b.              Op de eerste verdieping en daaropvolgende verdiepingen wonen, al dan niet in combina­tie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep;
c.              Ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" in ieder geval voor een onderdoorgang voor verkeer met een doorrijhoogte van minimaal 1 bouwlaag;
d.              Parkeer- en groenvoorzieningen.

Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten:

e.              Gebouwen;
f.                Bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
g.              Tuinen, erven en paden.

 

4.2. Bouwvoorschriften

4.2.1         Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

a.              Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden ge­bouwd;

b.              De bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan op de plankaart is aange­geven;

c.              De bouwhoogte van een overkapping mag maximaal 3 m bedragen.

 

4.2.2         Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gel­den de volgende bepalin­gen:

a.              De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 m mag bedragen;

b.              De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2,5 m bedragen.

 

4.3. Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

a.              Een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
b.              Een goede woonsituatie;
c.              De verkeersveiligheid;
d.              De sociale veiligheid;
e.              De milieusituatie;
f.                De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

4.4. Specifieke gebruiksbepalingen

4.4.1         Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

4.4.2         Regeling aan-huis-verbonden beroepen

Ten aanzien van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep gelden de volgende voor­waarden:

a.              Ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep mag maximaal 35% van de woonvloeroppervlakte worden gebruikt, tot een oppervlakte van maximaal 75 m²;

b.              De activiteiten mogen zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspec­ten geen afbreuk doen aan het karakter van de woning en de woonomgeving;

c.              De activiteiten mogen geen detailhandel, seksinrichting of horeca betreffen;

d.              De activiteiten mogen niet meldings- of vergunningplichtig zijn op grond van het Inrich­tingen- en vergunningenbesluit milieubeheer;

e.              De activiteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige parkeerdruk veroorzaken;

f.                Er dient een relatie te zijn tussen ten minste 1 bewoner en de uitgeoefende activitei­ten.

 

4.4.3         Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 4.4.1 wordt in ieder geval gerekend:

a.              Het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;

b.              Opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk;

c.              Opslag van goederen ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang".

 

4.5. Vrijstelling van de gebruiksvoorschriften

4.5.1         Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van:

a.              Het bepaalde in artikel 4.4.2 onder d en een activiteit toestaan waarvoor een mel­dingsplicht geldt op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieube­heer, voor zover het bedrijven betreft uit de categorieën 1 en 2 van de van deze voorschrif­ten deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten, die tevens voorko­men op de van deze voorschriften deel uitmakende "Staat van na vrijstelling toe­laatbare activiteiten in het kader van een aan-huis-verbonden beroep";

b.              Het bepaalde in artikel 4.4.2 onder f en een aan-huis-verbonden beroep toestaan, zonder dat er een relatie bestaat tussen ten minste 1 bewoner en de uitgeoe­fende ac­tiviteiten, voor zover het medische beroepen betreft.

 

4.5.2         Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 4.1 onder a om:

a.              Horecabedrijven toe te laten in één categorie hoger dan in lid 4.1 onder a is aangege­ven, voor zover het betrokken horecabedrijf naar aard en invloed op de omgeving (ge­let op de specifieke werkwijze of de bijzondere maatgevende mi­lieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de categorieën 1 of 2 van de Staat van Horeca-activiteiten;

b.              Horecabedrijven toe te laten die niet in de Staat van Horeca-activiteiten zijn ge­noemd, voor zover het betrokken horecabedrijf naar aard en invloed op de omge­ving (gelet op de specifieke werkwijze of de bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te be­horen tot de categorieën 1 of 2 van de Staat van Horeca-activi­teiten.

 

4.5.3         Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 4.4.1, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige ge­bruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

4.6. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 4.4.1 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.

 


Artikel 5.          Groen (G)

5.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Groen (G) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.              Groenvoorzieningen;

alsmede voor:

b.              Ter plaatse van de aanduiding "ecologische verbindingszone": uitsluitend voor een ecolo­gische verbindingszone;
c.              Oeververbindingen;
d.              Geluidswerende voorzieningen;

Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten:

e.              Groenvoorzieningen en beplantingen;
f.                Water, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

1.   Het straat- en bebouwingsbeeld;

2.   De woonsituatie;

3.   De verkeersveiligheid;

4.   De sociale veiligheid;

5.   De milieusituatie;

6.   De gebruiksmogelijkheid van de aangrenzende gronden;

g.              Speelvoorzieningen;
h.              Bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
i.                Bijbehorende voorzieningen, zoals verhardingen en paden.

 

5.2. Bouwvoorschriften

5.2.1         Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden ge­bouwd.

 

5.2.2         Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalin­gen:

a.              De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;

b.              In afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van lichtmasten en geluidswerende voorzieningen maximaal 12 m bedragen.

 

5.3. Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

a.              De verkeersveiligheid;
b.              De sociale veiligheid;
c.              Een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
d.              De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

5.4. Aanlegvoorschriften

5.4.1         Het is verboden op of in de gronden met de aanduiding "ecologische verbindingszone" zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werk­zaamheden uit te voeren:

a.              Het afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;

b.              Het aanleggen of verharden van wegen, paden, parkeergelegenheid en het aan
brengen van andere oppervlakteverhardingen;

c.              Het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunica­tieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, in­stallaties of appara­tuur.

 

5.4.2         Het verbod als bedoeld in lid 5.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamhe­den die:

a.              Betrekking hebben op het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een opper­vlakte kleiner dan 25 m²;

b.              Normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;

c.              Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

d.              Reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

 

5.4.3         De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 5.4.2 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de betekenis van de gronden als ecologische verbindingszone niet onevenre­dig wordt of kan worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel daarvan niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

 

5.5. Specifiek gebruiksvoorschrift

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

5.6. Vrijstelling van het gebruiksvoorschrift

Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 5.5, indien strikte toe­passing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beper­king niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

5.7. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 5.4.1 en lid 5.5 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.


Artikel 6.          Kantoor (K)

6.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Kantoor (K) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.              Kantoren, met dien verstande dat bedrijfswoningen niet zijn toegestaan;
b.              Ter plaatse van de aanduiding "maatschappelijk": tevens voor maatschappelijke voorzie­ningen;
c.              Ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" in ieder geval voor een onderdoorgang voor water en verkeer met een doorrijhoogte van minimaal 1 bouwlaag;
d.              Ter plaatse van de aanduiding "brug" in ieder geval voor langzaam verkeer.

Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten:

e.              Gebouwen;
f.                Bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
g.              Bijbehorende voorzieningen zoals verkeers- en verblijfsgebieden, water, parkeervoorzie­ningen en groenvoorzieningen.

 

6.2. Bouwvoorschriften

6.2.1         Voor het bouwen van Gebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

a.              Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden ge­bouwd;

b.              De goot- en/of bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven;

c.              De bouwhoogte van een overkapping mag maximaal 3 m bedragen.

d.              Het totale oppervlak van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan het op de plankaart aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak; indien geen bebouwingsper­centage is aangegeven, geldt een bebouwingsper­centage van 100% van het bouwvlak.

 

6.2.2         Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gel­den de volgende bepa­lingen:

a.              De bouwhoogte van reclamewerken en kunstwerken op gronden zonder de aan­duiding "maatschappelijk" mag maximaal 10 m bedragen;

b.              De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg ge­keerde gevel maximaal 1 m mag bedragen;

c.              De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2,5 m bedragen.

 

6.3. Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

a.              Een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
b.              Een goede woonsituatie;
c.              De verkeersveiligheid;
d.              De sociale veiligheid;
e.              De milieusituatie;
f.                De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

6.4. Specifieke gebruiksvoorschriften

6.4.1         Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

6.4.2         Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 6.4.1 wordt in ieder geval gerekend:

a.              Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;

b.              Het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;

c.              Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van geluidzoneringsplich­tige inrichtingen en risicovolle inrichtin­gen;

d.              Opslag van goederen buiten het bouwvlak;


 

e.              Opslag van goederen binnen het bouwvlak:

-    ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang";

-    op overige gronden indien de stapelhoogte van goederen meer dan 4 m be­draagt.

 

6.5. Vrijstelling van de gebruiksvoorschriften

6.5.1         Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 6.4.1, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige ge­bruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

6.6. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 6.4.1 is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.

 

 


Artikel 7.          Maatschappelijk (M)

7.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Maatschappelijk (M) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.              Maatschappelijke doeleinden;

Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten:

b.              Gebouwen
c.              Bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
d.              Bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, paden, parkeer- en groenvoorzienin­gen.

 

7.2. Bouwvoorschriften

7.2.1         Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

a.              Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden ge­bouwd;

b.              De goot- en/of bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven;

c.              Indien op de plankaart de aanduiding "verhoging goothoogte" is opgenomen, mo­gen gebouwen worden verhoogd tot maximaal 4 m boven de aangegeven goot­hoogte, met dien verstande dat het bouwdeel boven de maximaal toegestane goothoogte ten minste twee schuine dakvlakken heeft;

d.              De bouwhoogte van een overkapping mag maximaal 3 m bedragen.

e.              Het totale oppervlak van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan het op de plankaart aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak; indien geen bebouwings­percentage is aangegeven, geldt een bebouwingsper­centage van 100% van het bouwvlak.

 

7.2.2         Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,     gelden de volgende bepalingen:

a.              De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 m mag bedragen;

b.              De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2,5 m bedragen.

 

7.3. Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

a.              Een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
b.              Een goede woonsituatie;
c.              De verkeersveiligheid;
d.              De sociale veiligheid;
e.              De milieusituatie;
f.                De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

7.4. Specifieke gebruiksvoorschriften

7.4.1         Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

7.4.2         Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 7.4.1 wordt in ieder geval gerekend:

a.              Het gebruik van gebouwen voor bewoning;

b.              Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van geluidszoneringsplich­tige inrichtingen en risicovolle inrichtin­gen.

c.              Opslag van goederen buiten het bouwvlak;

d.              Opslag van goederen binnen het bouwvlak indien de stapelhoogte van goederen meer dan 4 m bedraagt.

 

7.5. Vrijstelling van het gebruiksvoorschriften

Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 7.4.1, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke be­perking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

7.6. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 7.4.1 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.

 

 


Artikel 8.          Recreatie-Dagrecreatie (R-DR)

8.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Recreatie (R-DR) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.              Een bouwspeelplaats, met een kinderdagverblijf;
b.              Groenvoorzieningen;

Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten:

c.              Gebouwen en overkappingen;
d.              Bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
e.              Bijbehorende voorzieningen, zoals erven, parkeervoorzieningen en water.

 

8.2. Bouwvoorschriften

8.2.1         Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

a.              De goothoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan op de plankaart is aange­geven;

b.              Voor zover slechts de goothoogte van een gebouw op de plankaart is aangege­ven mag het hoofdgebouw worden verhoogd tot maximaal 4 m boven de aange­geven goothoogte, met dien verstande dat het bouwdeel boven de maximaal toe­gestane goothoogte ten minste twee schuine dakvlakken heeft;

c.              De bouwhoogte van een overkapping mag maximaal 3 m bedragen;

d.              Het totale oppervlak van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan het op de plankaart aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak.

 

8.2.2         Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gel­den de volgende bepalingen:

a.              De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 m mag bedragen;

b.              De bouwhoogte van lichtmasten en andere masten mag maximaal 12 m bedra­gen;

c.              De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappin­gen zijnde, mag maximaal 3 m bedragen.

 

8.3. Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

a.              Een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
b.              Een goede woonsituatie;
c.              De verkeersveiligheid;
d.              De sociale veiligheid;
e.              De milieusituatie;
f.                De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

8.4. Specifiek gebruiksvoorschrift

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

8.5. Vrijstelling van het gebruiksvoorschrift

Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 8.4, indien strikte toe­passing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beper­king niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

8.6. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 8.4 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van ar­tikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.


Artikel 9.          Tuin (T)

9.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Tuin (T) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.              Tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.
b.              Ter plaatse van de aanduiding "bergingen en entreeportalen": tevens voor bergingen en entreeportalen ten behoeve van de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebou­wen;
c.              Ter plaatse van de aanduiding "verblijfsgebied": uitsluitend voor verblijfsgebied;

Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten:

d.              Gebouwen;
e.              Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.

 

9.2. Bouwvoorschriften

9.2.1         Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

a.              Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd op gronden met de aanduiding "bergingen en entreeportalen";

b.              Overkappingen mogen niet worden gebouwd;

c.              De gezamenlijke oppervlakte van gebouwen mag maximaal 10 m² bedragen;

d.              De goothoogte van gebouwen mag maximaal 2,5 m bedragen.

 

9.2.2         Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gel­den de volgende bepalingen:

a.              De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 m mag bedragen;

b.              De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2,5 m bedragen.

 

9.3. Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

a.              Een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
b.              Een goede woonsituatie;
c.              De verkeersveiligheid;
d.              De sociale veiligheid;
e.              De milieusituatie;
f.                De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

9.4. Vrijstelling van de bouwvoorschriften

9.4.1         Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van:

a.              Het bepaalde in lid 9.2.1 onder a en toestaan dat entreeportalen met een maxi­maal oppervlak van 3 m² en een bouwhoogte van 2,5 m aan het hoofdgebouw mogen worden aangebouwd;

b.              Het bepaalde in lid 9.2.1 onder a en toestaan dat erkers over maximaal 3/5 van de naar de weg toegekeerde gevel en zijgevel van het hoofdgebouw mogen wor­den opgericht met een maximale diepte van 1 m; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw;

c.              Het bepaalde in lid 9.2.1 onder b en toestaan dat carports in de voortuin worden op­gericht met een maximale oppervlakte van 18 m² en een maximale bouw­hoogte van 2,7 m, mits het perceel onmiddellijk grenst aan de bestemming Ver­keer en/of Verkeer-Verblijfsgebied, er tussen de perceelsgrens en het bouw­vlak een onbebouwde zone van ten minste 5 m aanwezig is en de aanslui­tende rijweg minimaal 5 m breed is.

 

9.4.2         De in lid 9.4.1 genoemde vrijstellingen kunnen slechts worden verleend mits geen oneven­re­dige aantasting plaatsvindt van:

a.              Het straat- en bebouwingsbeeld;

b.              De woonsituatie;

c.              De verkeersveiligheid;

d.              De sociale veiligheid;

e.              De milieusituatie;

f.                De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en gebouwen;

g.              De bezonningssituatie op aangrenzende gronden en gebouwen.

 

9.5. Specifiek gebruiksvoorschrift

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

9.6. Vrijstelling van het gebruiksvoorschrift

Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 9.5, indien strikte toe­passing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beper­king niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

9.7. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 9.5 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van ar­tikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.


Artikel 10.      Verkeer (V)

10.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Verkeer (V) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.              Ter plaatse van rijksweg 2: een weg met maximaal 2x5 doorgaande rijstroken, exclusief opstelstroken en bus­stroken;
b.              Overige wegen met maximaal 2x1 doorgaande rijstrook, exclusief opstelstroken en bus­stroken;
c.              Parallelwegen en carpoolstroken;
d.              Een brug ter plaatse van de nadere aanduiding daartoe op de plankaart;
e.              Straten en paden;
f.                Voet- en fietspaden;
g.              Oeververbindingen;
h.              Geluidswerende voorzieningen;
i.                Bijbehorende voorzieningen, zoals abri’s;

Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten:

j.                Bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
k.              Parkeervoorzieningen;
l.                Groenvoorzieningen;
m.            Water, mits geen onevenredige aantasting plaats­vindt van:

1.   Het straat- en bebouwingsbeeld;

2.   De woonsituatie;

3.   De verkeersveiligheid;

4.   De sociale veiligheid;

5.   De milieusituatie;

6.   De gebruiksmogelijkheid van de aangrenzende gronden.

 

10.2. Bouwvoorschriften

10.2.1     Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

 

10.2.2     Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepa­lin­gen:

a.              De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2,5 m bedragen;

b.              In afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van lichtmasten en ge­luidswerende voorzieningen maximaal 12 m bedragen;

c.              In afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van abri’s maximaal 3 m en de oppervlakte maximaal 10 m² bedragen.

 

10.3. Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

a.              De woonsituatie;
b.              Het straat- en bebouwingsbeeld;
c.              De verkeersveiligheid;
d.              De sociale veiligheid;
e.              De gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

 

10.4. Vrijstelling van de bouwvoorschriften

10.4.1     Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van:

a.              Het bepaalde in lid 10.2.2 onder a en een bouwwerk, geen gebouw zijnde, toe­staan met een maximale bouwhoogte van 5 m;

b.              Het bepaalde in lid 10.2.2 onder b en lichtmasten toestaan met een maximale bouw­hoogte van 15 m.

 


10.4.2     De in lid 10.4.1 genoemde vrijstelling kan slechts worden verleend, mits geen onevenre­dige aantasting plaatsvindt van:

a.              Het straat- en bebouwingsbeeld;

b.              De woonsituatie;

c.              De verkeersveiligheid;

d.              De gebruiksmogelijkheid van de aangrenzende gronden.

 

10.5. Specifiek gebruiksvoorschrift

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

10.6. Vrijstelling van het gebruiksvoorschrift

Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 10.5, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke be­perking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

10.7. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 10.5 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.


Artikel 11.      Verkeer-Verblijfsgebied (V-VB)

11.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Verkeer-Verblijfsgebied (V-VB) aangewezen gronden zijn be­stemd voor:

a.              Woonstraten en pleinen;
b.              Voet- en fietspaden;
c.              (loop)Bruggen;

Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten:

d.              Bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
e.              Verhardingen, waaronder parkeervoorzieningen;
f.                Groenvoorzieningen;
g.              Water, mits geen onevenredige aantasting plaats­vindt van:

1.   Het straat- en bebouwingsbeeld;

2.   De woonsituatie;

3.   De verkeersveiligheid;

4.   De sociale veiligheid;

5.   De milieusituatie;

6.   De gebruiksmogelijkheid van de aangrenzende gronden.

 

11.2. Bouwvoorschriften

11.2.1     Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

 

11.2.2     Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepa­lin­gen:

a.              De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2,5 m bedragen;

b.              In afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van lichtmasten maxi­maal 12 m bedragen.

 

11.3. Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

a.              De woonsituatie;
b.              Het straat- en bebouwingsbeeld;
c.              De verkeersveiligheid;
d.              De sociale veiligheid;
e.              De gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

 

11.4. Vrijstelling van de bouwvoorschriften

11.4.1     Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 11.2.2 onder a en een bouwwerk, geen gebouw zijnde, toestaan met een maximale bouw­hoogte van 5 m.

 

11.4.2     De in lid 11.4.1 genoemde vrijstelling kan slechts worden verleend, mits geen onevenre­dige aantasting plaatsvindt van:

a.              Het straat- en bebouwingsbeeld;

b.              De woonsituatie;

c.              De verkeersveiligheid;

d.              De gebruiksmogelijkheid van de aangrenzende gronden.

 

11.5. Specifiek gebruiksvoorschrift

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

11.6. Vrijstelling van het gebruiksvoorschrift

Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 11.5, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke be­perking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

11.7. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 11.5 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.

 


Artikel 12.      Water (WA)

12.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Water (WA) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.              Waterberging;
b.              Waterhuishouding;
c.              Waterlopen en waterpartijen;
d.              Ter plaatse van de aanduiding "brug" in ieder geval voor bruggen;

Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten:

e.              Bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
f.                Infiltratievoorzieningen;
g.              Taluds, oevers en onderhoudsstroken;
h.              Kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden.

 

12.2. Bouwvoorschriften

12.2.1     Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

 

12.2.2     Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende bepaling:

a.              De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3,5 m bedragen.

 

12.3. Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

a.              De verkeersveiligheid;
b.              De sociale veiligheid;
c.              Een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
d.              De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

12.4. Vrijstelling van de bouwvoorschriften

12.4.1     Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde onder 12.2.2 en een bouwwerk, geen gebouw zijnde, toestaan met een maximale bouwhoog­te van 5 m.

 

12.4.2     De in lid 12.4.1 genoemde vrijstelling kan slechts worden verleend, mits geen on­evenre­dige aantasting plaatsvindt van:

a.              Het straat- en bebouwingsbeeld;

b.              De woonsituatie;

c.              De verkeersveiligheid;

d.              De gebruiksmogelijkheid van de aangrenzende gronden;

e.              Waterstaatsbelangen;

f.                De ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;

          En er vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de waterbeheerder.

 

12.5. Specifiek gebruiksvoorschrift

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

12.6. Vrijstelling van het gebruiksvoorschrift

Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 12.5, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke be­perking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

12.7. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 12.5 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.


Artikel 13.       Wonen (W)

13.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Wonen (W) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.              Wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden be­roep;
b.              Ter plaatse van de aanduiding "garageboxen": uitsluitend voor complexgewijze garage­boxen;
c.              Ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" in ieder geval voor een onderdoorgang voor water en verkeer met een doorrijhoogte van ten minste 1 bouwlaag;
d.              Ter plaatse van de aanduiding "overkapping" uitsluitend voor overdekte parkeervoorzie­ningen;
e.              Ter plaatse van de aanduiding "woonwagen" voor maximaal zes standplaatsen voor woonwagens;
f.                Parkeervoorzieningen;

Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten:

g.              Hoofdgebouwen;
h.              Aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
i.                Bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
j.                Tuinen, erven en paden.

 

13.2. Bouwvoorschriften

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

a.              Een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
b.              De goot- en/of bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven;
c.              Voor zover slechts de goothoogte van een hoofdgebouw op de plankaart is aangegeven mag het hoofdgebouw worden verhoogd tot maximaal 4 m boven de aangegeven goot­hoogte, met dien verstande dat het bouwdeel boven de maximaal toegestane goothoogte ten minste twee schuine dakvlakken heeft;
d.              Uitsluitend op de gronden met de aanduiding "woonwagen" mogen woonwagens worden ge­bouwd met een goothoogte van maximaal 3,5 m en een bouwhoogte van maximaal 4,5 m, waarbij ten minste 45% van de standplaats onbebouwd en onoverdekt dient te blijven;
e.              De oppervlakte van een complexgewijs gebouwde garagebox mag maximaal 20 m² bedragen.

 

13.2.2     Voor het bouwen op gronden zonder de aanduidingen "woonwagens" en "overkapping" gelden de vol­gende bepalingen:

a.              Op deze gronden mogen aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen wor­den gebouwd;

b.              De gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en over­kappingen bij een hoofdgebouw, mag per te bebouwen erf maximaal 40 m² be­dragen, met inachtneming van de volgende bepaling:

-    ten minste 60% van de gronden zonder de aanduiding "bouwvlak" dient onbe­bouwd en onoverdekt te blijven;

c.              De diepte van aan- en uitbouwen gebouwd aan de oorspronkelijke achtergevel van hoofdgebouwen mag maximaal 3 m bedragen;

d.              De goothoogte van aan- en uitbouwen mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw;

e.              De goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 2,5 m bedragen;

f.                De bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 3,5 m bedragen;

g.              De bouwhoogte van overkappingen mag maximaal 2,7 m bedragen.

 

13.2.3     Voor het bouwen op gronden met de aanduiding "woonwagen" gelden de volgende be­palingen:

a.              Op deze gronden mogen bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd, waar­bij de volgende voorschriften van toepassing zijn:

1.  Voor bijgebouwen geldt:

                               -       per standplaats een grondoppervlak van maximaal 30 m²;

                               -       een bouwhoogte van maximaal 3 m;

2.  Voor overkappingen geldt een bouwhoogte van maximaal 2,7 m;

3. Per standplaats geldt dat ten minste 45% van de gronden onbebouwd en on­overdekt dient te blijven.

 

13.2.4     Voor het bouwen op gronden met de aanduiding "overkapping" mogen uitsluitend over­kappingen worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 4 m.

 

13.2.5     Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gel­den de volgende bepalingen:

a.              De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 m mag bedragen;

b.              De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2,5 m bedragen.

 

13.3. Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

a.              Een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
b.              Een goede woonsituatie;
c.              De verkeersveiligheid;
d.              De sociale veiligheid;
e.              De milieusituatie;
f.                De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

13.4. Vrijstelling van de bouwvoorschriften

13.4.1     Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 13.2.2 onder a en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebou­wen en overkappingen bij een hoofdgebouw per te bebouwen erf 60 m² mag bedragen, met dien verstande dat ten minste 75% van de gronden zonder de aanduiding "bouw­vlak" onbebouwd en onoverdekt dient te blijven.

 

13.4.2     De in lid 13.4.1 genoemde vrijstelling kan slechts worden verleend, mits geen onevenre­dige aantasting plaatsvindt van:

a.              Het straat- en bebouwingsbeeld;

b.              De woonsituatie;

c.              De verkeersveiligheid;

d.              De sociale veiligheid;

e.              De milieusituatie;

f.                De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en gebouwen;

g.              De bezonningssituatie op aangrenzende gronden en gebouwen.

 

13.5. Specifieke gebruiksvoorschriften

13.5.1     Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

13.5.2     Ten aanzien van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep gelden de vol­gende voorwaarden:

a.              Ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep mag maximaal 35% van de woon­vloeroppervlakte worden gebruikt tot een oppervlakte van maximaal 75 m²;

b.              De activiteiten mogen zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspec­ten geen afbreuk doen aan het karakter van de woning en de woonomgeving;

c.              De activiteiten mogen geen detailhandel, seksinrichting en/of horeca betreffen;

d.              De activiteiten mogen niet meldings- of vergunningplichtig zijn op grond van het Inrichtin­gen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 1993, 50, laatst gewijzigd Stb. 2004, 619);

e.              De activiteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige parkeerdruk veroorzaken;

f.                Er dient een relatie te zijn tussen ten minste 1 bewoner en de uitgeoefende activi­teit(en).

 

13.5.3     Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 13.5.1. wordt in ie­der geval gerekend:

a.              Het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;

b.              Het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;

c.              Het gebruik van complexgewijs gebouwde garageboxen voor bedrijfsmatige acti­viteiten.

 

13.6. Vrijstelling van de gebruiksvoorschriften

13.6.1     Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van:

a.              Het bepaalde in artikel 13.5.2 onder d en een activiteit toestaan waarvoor een mel­dingsplicht geldt op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit mi­lieubeheer (Stb. 1993, 50, laatst gewijzigd Stb. 2004, 619), voor zover het bedrij­ven betreft uit de categorieën 1 en 2 van de van deze voorschriften deel uitma­kende Staat van Bedrijfsactiviteiten, die tevens voorkomen op de van deze voor­schiften deel uitma­kende Staat van, na vrijstelling, toelaatbare activiteiten in het kader van een aan-huis-verbonden beroep;

b.              Het bepaalde in artikel 13.5.2 onder f en een aan-huis-verbonden beroep toe­staan, zonder dat er een relatie bestaat tussen ten minste 1 bewoner en de uit­geoefende activiteiten, voor zover het medische beroepen betreft.

 

13.6.2     Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 13.5.1, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige ge­bruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

13.7. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 13.5.1 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.

 


Artikel 14.      Leiding (dubbelbestemming)

14.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Leiding aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor:

a.              Ter plaatse van de aanduiding "Leiding-defensie": uitsluitend voor een defensietransport­leiding;
b.              Ter plaatse van de aanduiding "Leiding-gas": uitsluitend voor een hogedrukgasleiding;
c.              Ter plaatse van de aanduiding "Leiding-riool: uitsluitend voor een rioolpersleiding;
d.              Ter plaatse van de aanduiding "Leiding-water": uitsluitend voor een hoofdwatertransport­leiding;
e.              Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten: bouwwerken, geen ge­bouwen zijnde.

 

14.2. Bouwvoorschriften

14.2.1     Op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 14.1 genoemde bestemming uitslui­tend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarbij een bouwhoogte van maximaal 2,5 m geldt.

 

14.2.2     Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag, met in­achtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)voorschriften, uit­sluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, ver­nieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zo­ver gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid.

 

14.3. Vrijstelling van de bouwvoorschriften

14.3.1     Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 14.2.1 en toestaan dat ten behoeve van de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, mits:

a.              geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de lei­ding;

b.              vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

 

14.4. Aanlegvoorschriften

14.4.1     Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding zonder of in afwij­king van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergun­ning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a.              Het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen;

b.              Het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen;

c.              Het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;

d.              Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen;

e.              Diepploegen;

f.                Het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de doeleindenomschrijving aangegeven, en daarmee verband houdende constructies;

g.              Het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.

 

14.4.2     Het verbod als bedoeld in lid 14.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamhe­den die:

a.              Betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;

b.              Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

c.              Mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

 

14.4.3     De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 14.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits:

a.              Geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;

b.              Vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

 

14.5. Specifiek gebruiksvoorschrift

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

14.6. Vrijstelling van het gebruiksvoorschrift

Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 14.5, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke be­perking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

14.7. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 14.4.1 en lid 14.5 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.

 


Artikel 15.      Waterstaat (dubbelbestemming)

15.1. Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Waterstaat aangewezen gronden zijn primair bestemd voor:

a.              Waterberging;
b.              Waterhuishouding;
c.              Waterlopen;

En secundair voor de overige daaraan gegeven bestemmingen.

Ten dienste van en in verband met de primaire bestemming zijn toegelaten:

d.              Bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
e.              Duikers;
f.                Taluds, oevers en onderhoudsstroken;
g.              Kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden.

 

15.2. Voorschriften vanwege samenvallende bestemmingen

Al hetgeen in deze voorschriften omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen het gebied met de bestemming Waterstaat is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien en voor zover zulks, gehoord de beheerder van de waterloop, verenigbaar is met het belang van de water­loop.

 

15.3. Bouwvoorschriften

15.3.1     In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming.

 

15.3.2     Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

 

15.3.3     De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3,5 m be­dra­gen.

 

15.4. Vrijstelling van de bouwvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 15.3.1 en toe­staan dat ten behoeve van de andere bestemming bouwwerken worden gebouwd, mits:

a.              geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterstaatsbelangen;
b.              vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de waterloop.

 

15.5. Specifiek gebruiksvoorschrift

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

 

15.6. Vrijstelling van het gebruiksvoorschrift

Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 15.5, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke be­perking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

15.7. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 15.5 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a sub 2° van de Wet op de economische delicten.

 

 


Hoofdstuk 3                        Algemene bepalingen

33

 

Artikel 16.      Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uit­voering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouw­plannen buiten beschouwing.

 

 

 

Artikel 17.      Bestaande afstanden en andere maten

a.              De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als maximaal toelaatbaar worden aangehou­den;
b.              De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aange­houden;
c.              In geval van herbouw is het bepaalde onder a. en b uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.

 

 

 

Artikel 18.      Algemene vrijstellingsbevoegdheid

18.1. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van:

a.              De bij recht in de voorschriften gegeven maten, afmetingen, percentages tot maximaal 10% van die maten, afmetingen en percentages;
b.              De bestemmingsbepalingen en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aan­sluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersvei­lig­heid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft;
c.              De bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
d.              De bestemmingsbepalingen en toestaan dat nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes wor­den gebouwd, mits de inhoud per gebouwtje maximaal 50 m³ zal bedragen;
e.              De bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebou­wen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt ver­groot tot maximaal 10 m;
f.                Het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers en lichtkappen, mits:
-        De maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het betreffende bouw­vlak zal bedragen;
-        De hoogte maximaal 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende ge­bouw zal bedragen;
g.              Het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte op het dakvlak ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals lift­schachten en installaties, mits:
-        De maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het betreffende dak­vlak zal bedragen;
-        De maximale bouwhoogte 3,5 m zal bedragen.

 

18.2. Vrijstelling wordt niet verleend indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

 

Artikel 19.      Algemene wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van                    overschrijding bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzi­gen ten behoeve van

a.              Overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een tech­nisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit nood­zakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein;
b.              Overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeers­vei­ligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft.

De overschrijdingen mogen echter maximaal 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met maximaal 10% worden vergroot.

 

 

 

Artikel 20.      Algemeen procedurevoorschrift

Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, zoals deze onderdeel uitmaakt van dit plan, die­nen de navolgende procedureregels in acht te worden genomen:

a.              Het ontwerpbesluit tot wijziging ligt met bijbehorende stukken gedurende 4 weken ter in­zage;
b.              Burgemeester en wethouders maken deze terinzagelegging tevoren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, die in de gemeente worden verspreid, alsmede op de ge­bruikelijke wijze bekend;
c.              De bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het naar voren brengen van zienswijzen;
d.              Gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij burgemeester en wethouders zienswijzen naar voren brengen tegen het ontwerpbesluit.

 

 


Hoofdstuk 4                        Overgangs- en slotbepalingen

35

 

Artikel 21.      Overgangsbepalingen

21.1. Overgangsrecht bouwwerken

21.1.1     Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aan­wezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt ver­groot,

a.              gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b.              na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.

 

21.1.2     Eenmalig kan ontheffing worden verleend van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

 

21.1.3     Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijd­stip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

21.2. Overgangsrecht gebruik

21.2.1     Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

 

21.2.2     Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

 

21.2.3     Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

 

21.2.4     Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voor­heen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 

21.3. Hardheidsclausule

Indien toepassing van het overeenkomstig de artikelen 21.1 en 21.2 in het plan opgenomen overgangsrecht zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, kan de gemeenteraad met het oog op beëindiging op termijn die met het bestemmingsplan strijdige situatie in het plan persoons­gebonden overgangsrecht opnemen.

 

 

 

Artikel 22.      Titel

Dit plan wordt aangehaald onder de naam bestemmingsplan Batau-Noord 2008.

 

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van

 

 

 

de griffier,                                                       de voorzitter,

 

 


Bijlage 1.         Staat van Bedrijfsactiviteiten

 

 

In deze bijlage is de Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen zoals die wordt gehanteerd voor het be­stemmingsplan Batau-Noord 2008.

 

 

 

 

SBI code

 

Volgnr

 

Omschrijving

 

Categorie

 

15

-

VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN

 

151

0

Slachterijen en overige vleesverwerking:

 

151

1

- loonslachterijen

3A

1581

0

Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen:

 

1581

1

- v.c. < 2500 kg meel/week

2

1585

 

Deegwarenfabrieken

3A

1593 t/m 1595

 

Vervaardiging van wijn, cider e.d.

2

17

-

VERVAARDIGING VAN TEXTIEL

 

173

 

Textielveredelingsbedrijven

3A

174, 175

 

Vervaardiging van textielwaren

3A

176, 177

 

Vervaardiging van gebreide en gehaakte stoffen en artikelen

3A

18

-

VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT

 

181

 

Vervaardiging kleding van leer

3A

182

 

Vervaardiging van kleding en -toebehoren (excl. van leer)

2

183

 

Bereiden en verven van bont; vervaardiging van artikelen van bont

3A

19

-

VERVAARDIGING VAN LEER EN LEDERWAREN (EXCL. KLEDING)

 

192

 

Lederwarenfabrieken (excl. kleding en schoeisel)

3A

193

 

Schoenenfabrieken

3A

20

-

HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D.

 

2010.2

0

Houtconserveringsbedrijven:

 

2010.2

1

- met zoutoplossingen

3A

205

 

Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken

2

21

-

VERVAARDIGING VAN PAPIER, KARTON EN PAPIER- EN KARTON­WAREN

 

2112

0

Papier- en kartonfabrieken:

 

2112

1

- p.c. < 3 t/u

3A

22

-

UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA

 

2222.6

 

Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen

2

2223

A

Grafische afwerking

1

2223

B

Binderijen

2

2224

 

Grafische reproductie en zetten

2

2225

 

Overige grafische activiteiten

2

223

 

Reproductiebedrijven opgenomen media

1

24

-

VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUKTEN

 

2442

0

Farmaceutische productenfabrieken:

 

2442

1

- formulering en afvullen geneesmiddelen

3A

2442

2

- verbandmiddelenfabrieken

2

25

-

VERVAARDIGING VAN PRODUCTEN VAN RUBBER EN KUNSTSTOF

 

2512

0

Loopvlakvernieuwingsbedrijven: